Mijn gele carrière waar tot nu toe slechts een enkeling van af wist
Het Spaanse Carretera Olimpica was de ploeg van klassementsrenner Ignacio Chorizo, meesterknecht Juan Ángel Cuartero en de Colombiaanse klimgeit Jesus Navarro Blanco. Helden van het asfalt, ware meesters aan het stuur. Maar ook helden op leeftijd, ik mocht deze Tour eindelijk voor mijn eigen kansen rijden. Cuartero zou er voor zorgen dat Chorizo uit de wind werd gehouden en niet op de kant zou komen te zitten, ik moest me vooral in de camera’s laten zien. Na de tweede overgangsetappe werd me echter duidelijk dat ik een goed klassement aan het rijden was. In de Pyreneeën was ik slechts een keer gelost en op de Hautacam had ik zelfs iedereen het wiel laten zien. Met een relatief groot verzet liet ik tevens zien over goede benen te beschikken. In de bolletjestrui begon ik aan de laatste Alpen-etappe. Chorizo was steeds aan het elastiek komen te hangen en liet zich op de Tourmalet zelfs flikken door de Basken. Hij had de eerste bergen niet overleefd, terwijl voor mij Parijs op slechts twee minuten van de Duitse klassementsaanvoerder Lothar Leibnitz in zicht kwam. De stad van de liefde kleurde geel in mijn ogen, ik was klaar mijn belofte in te lossen. Voor de etappe met aankomst op Alpe-d’Huez ging ik echter kapitaal in de fout.
Van de spanning had ik slecht geslapen. Omdat de organisatie geen kans zag ons in de vertrekplaats Embrun te laten overnachten, werden we in een oud hotel in het nabijgelegen St. Sauveur geplaatst. De veren drukten door het matras in mijn rug en mijn Franse slapie Pierre Levacher woelde als gevolg van een eerder opgelopen hongerklop onrustig in zijn bed. Juist op de dag dat ik van plan was te demarreren, juist nu ik iedereen er af wilde rijden. Ik had slechte benen! Ik keek op mijn Festina-horloge en realiseerde me hoe laat het was: ik moest iets verzinnen. Zou ik…? Als ik gepakt zou worden, zou ik het peloton teleurstellen. Maar als ik in het zicht van de haven geparkeerd zou komen te staan, stelde ik de Spaanse natie teleur. Ik moest hoe dan ook van voren komen te zitten. Een renner van mijn kaliber mag nooit in een bus komen te zitten. Nooit.
De koers begon in een rustig tempo. Gelukkig hoefde ik niet direct mijn kloten af te draaien en kon ik rustig uit de wind de eerste pukkel van de derde categorie nemen. De ontsnapping van een Franse gelukszoeker werd snel onschadelijk gemaakt, verder dan de rode rugnummers zou hij vandaag niet komen. Op tien kilometer van de Galibier gingen de klassementsrenners van voren zitten. Ik koos goed positie en pakte aan de voet van deze buitencategorie gemakkelijk het wiel van Leibnitz. Ik trok de rits van mijn bergtrui naar beneden en voelde de adrenaline door mijn lijf gieren. Ik had superbenen! Steeds meer renners gingen diep in de beugels zitten, maar moesten uiteindelijk lossen. Toen het Belgische talent Francois Desnoeperd lek reed kwamen we alleen te zitten. Leibnitz en ik namen steeds goed van elkaar over en lieten de poursuivants ook in de afdaling niet dichterbij komen. Wat een kopwerk!
Toen we op vals plat in de wind kwamen te zitten kwam ik echter de man met de hamer tegen. Ik was steeds minder in staat kopwerk te verrichten en hield slechts met moeite tot aan Alpe-d’Huez het wiel van mijn concurrent. De Duitser voelde zich sterker worden en besloot me direct op de klim pijn te doen. Ik kon niet volgen en kwam uiteindelijk toch geparkeerd te staan, mijn grootste angst kwam uit. Nadat mijn ploeggenoot Levacher zich nota bene vanuit de tweede bus in het ravijn wist te rijden, had ik slechts via mijn oortje contact met de ploegleider. Ik moest mijn eigen tempo blijven draaien. Na enkele kilometers voelde ik de kracht in mijn lichaam terugvloeien. Luid aangemoedigd door het massaal in campers toegestroomde publiek kreeg ik zelfs Leibnitz weer in zicht. Wat had ik een ongelooflijke remontage gemaakt!
Op 6,2 kilomter van de meet pakte ik Leibnitz en ging ik er op en er over: de Tour wacht immers op niemand. NOS Radio Tourflits kwam naar later bleek superlatieven tekort. Hadden we weer een Tourwinnaar? Leibnitz wist met geen mogelijkheid te recuperreren en moest me laten gaan. Als een bezetene klom ik volle bak naar boven en stak ik op enkele honderden meters van de streep mijn arm triomfantelijk omhoog. Leibnitz was binnen vijf kilometer op ruim drie minuten gezet. Luid toegejuigd sprong ik niet veel later op het podium. Met een gele leeuw in mijn linkerhand zoende ik de rondemissen. Na het gebruikelijke handenschudden daalde ik het podium af. Juist toen ik op zoek ging naar de ogen van mijn vrouw en kinderen, sloeg de paniek toe. De etappewinnaar moest als altijd een plasje inleveren. Parijs zal ik voorlopig niet meer halen, binnen drie jaar hoop ik weer te mogen fietsen. Ik ben de schande van een natie.